|
Dit is een opzettelijke klankovereenkomst tussen woorden op de beklemtoonde lettergrepen. De groep klanken die rijmen bij deze woorden noemt men de rijmuitgang of rijmstam.
a. volgens rijmende lettergrepen
- mannelijk of staand rijm
- vrouwelijk of slepend rijm
- onzijdig of glijdend rijm
Dit noemt men de volledig rijm, namelijk hierbij zijn niet alleen de klinkers (tweeklanken), maar ook de erop volgende medeklinkers gelijk. Hieronder valt ook het dubbelrijm of rime riche. Dit is als meer dan één woord rijmt.
mannelijk of staand rijm
De rijmuitgang of stam heeft 1 lettergreep die op de laatste lettergreep van een woord of op laatste lettergreep van een versregel voorkomt. Dus na de rijmende lettergreep komt geen enkele lettergreep meer.
voorbeeld:
pad - pat
wens - grens
klein – rein
vrouwelijk of slepend rijm
De rijmuitgang of stam heeft twee lettergrepen die op de laatste twee lettergrepen van een woord of van een versregel voorkomt. Dus na de rijmende lettergreep komt nog één lettergreep.
voorbeeld:
blazen – glazen
dromen – komen
onzijdig of glijdend rijm
De rijmuitgang of stam heeft 3 lettergrepen die op de laatste drie lettergrepen van een woord of een versregel voorkomt. Dus na de rijmende lettergreep komen nog twee onbeklemtoonde lettergrepen.
voorbeeld:
kinderen – hinderen
huwelijk – afschuwelijk
b. volgens verschil in plaats die rijmende woorden of woorddelen in vers of opeenvolgende verzen innemen
- eindrijm
- middenrijm
- voorrijm of beginrijm
- binnenrijm
- kettingrijm of overlooprijm
- pauze rijm
eindrijm
Deze rijm komt voor als woorden aan het einde van een versregel rijmen. Men spreekt dus van een eindrijm als de beklemtoonde klinker plus één of meer medeklinkers aan het einde van de versregel gelijk zijn.
voorbeeld:
Hoe ik mijn haar ook kam, bij kaars- of neonlicht
Wat er ontstaat is nooit een eigentijds gezicht
In dit voorbeeld rijmen de eindlettergrepen van de verzen.
middenrijm
Dit is als een woord midden in de versregel rijmt op een woord op dezelfde positie in de volgende regel. Dus de rijmklanken staan in het midden van twee opeenvolgende regels, min of meer onder elkaar.
voorbeeld:
Als ik loop over de straat
En dan hoop dat jij gaat
voorrijm of beginrijm
Deze rijm komt voor als de woorden aan het begin van de versregels rijmen.
Dus de herhaling van de eerste medeklinker van een woord.
voorbeeld:
Ruisende wanden en schitterende zalen
Bruisende beken en rammelende schalen
binnenrijm
Dit is rijm binnen 1 en dezelfde versregel. Dus rijm in één versregel.
voorbeeld:
Ik ben geboren uit zonnegloren
Contantijntje, ’t zalig kijntje
Daar gingen ze, zingend, hand in hand
kettingrijm of overlooprijm
Deze rijm komt voor als het laatste woord van een vers met het eerste woord van de volgende vers rijmt. Dus de laatste klank van een zin rijmt op het eerste woord van de volgende zin.
voorbeeld:
Heer Schimmelpenninck weet van sparen
Jaren at hij boter, vlees noch vis
Betamelijk vrees ik u, schepper Almachtig
Waarachtig eeuwig Woord geboren lichamelijk
pauze rijm
Dit is rijm op het eerste woord van een versregel met de laatste ervan. Dus het eerste woord van een versregel rijmt op het laatste woord van diezelfde versregel.
voorbeeld:
Contantijntje, ’t zalig kijntje
c. volgens aard van de rijmende woorden of woorddelen
- volrijm of zuiver rijm
- klinkerrijm of assonantie of halfrijm
- medeklinkerrijm of acconsonantie
- stafrijm of alliteratie
- rijkrijm of gelijk rijm of identiek rijm
- dubbelrijm
Dit is een opzettelijke klankovereenkomst tussen woorden op de beklemtoonde lettergrepen.De groep klanken die rijmen bij deze woorden noemt men de rijmuitgang of rijmstam.
volrijm of zuiver rijm
Dit is rijm waarbij de klankovereenkomst zowel voorkomt bij de klinkers als de medeklinkers.
voorbeeld:
namen – ramen
* kenmerken:
- klinker herhaling van de a, dus de klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep zijn gelijk
- klinker en medeklinker herhaling van men, dus de klinkers en medeklinkers die op rijmende klinker volgen zijn gelijk
- de medeklinkers die aan de rijmende klinker voorafgaan zijn verschillend
- de woorden hebben allebei dezelfde klemtoonstructuur: dus een beklemtoonde lettergreep en een onbeklemtoonde lettergreep
klinkerrijm of assonantie of halfrijm
Dit is rijm waarbij er alleen klankovereenkomst is van de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen en niet van de voorafgaande of daarop volgende medeklinkers.
voorbeeld:
lief –diep
* kenmerken:
- klinker herhaling van –ie: de klinkers in de rijmende woorden zijn gelijk
- de medeklinkers die achter de rijmende klinkers voorkomen zijn verschillend
medeklinkerrijm of acconsonantie
Dit is rijm waarbij de medeklinkers van de rijmende woorden gelijk zijn. M.a.w. is rijm met een overeenkomst van klank tussen de medeklinkers.
voorbeeld:
dit – dat
dam – dom
stafrijm of alliteratie
Dit is rijm waarbij de beginklanken/beginletters worden herhaald .
voorbeeld:
groen – gras
stafrijmen – stapstenen
rijkrijm of gelijk rijm of identiek rijm
Dit is rijm waarbij de rijmende lettergrepen van een rijmpaar beginnen met dezelfde medeklinker.
voorbeeld:
hinderen – verhinderen
licht – ligt
dubbelrijm
Dit is rijm waarbij de twee beklemtoonde lettergrepen aan het eind van een versregel rijmen. Dus deze rijm is een vorm van een eindrijm, waarbij aan het einde van twee versregels niet één maar twee rijmklanken staan.
voorbeeld:
aan – gaan
dood – nood
neergetogen bewogen
onbewust – gekust
d. volgens plaats van rijmende versregels tov elkaar (volgens rijmschema’s)
Van een rijmschema spreken we als woorden aan het eind van de versregel rijmen zijn ze op verschillende manieren ten opzichte van elkaar worden gerangschikt.
- gekruist rijm
- rijmschema : abab
* kenmerken:
a’s rijmen ten opzichte van elkaar
b’s rijmen ten opzichte van elkaar
voorbeeld:
A: Zal ik een zomerdag gelijk u noemen?
B: O, die is niet zo lieflijk en zo zacht;
A: Vaak schudt een ruwe vlag de tere bloemen,
B: En al te ras verzwindt deze zomers pracht
omarmdrijm
- rijmschema: abba
* kenmerken:
idem gekruist rijm alleen komen de rijmende versregels op een andere plaats
voorbeeld:
A: Hij heeft gemaakt dat zij de aarde raken
B: en bezigt tot dat doel de zwaartekracht
A: Zou hij ze laten zweven – hoe onzacht
B: zou het zijn onder dit witte laken,…
gepaard rijm
- rijmschema: aabb-c
* kenmerken:
idem gekruist rijm alleen komen de rijmende versregels op een andere plaats
voorbeeld:
A: een nieuwe lente en een nieuw geluid
A: ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
B: dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
B: In een oud stadje, langs de watergracht
gebroken rijm
- rijmschema: abcb
* kenmerken:
- b rijmt met b
- a en c rijmen met geen enkele versregel in het gedicht
voorbeeld:
A: Ik speel op straat
B: Met mijn eigen spiegelbeeld
C: Weerkaatst in de plassen
B: Zie ik een beeld
wees rijm
- rijmschema: axax
* kenmerken:
- er komen niet rijmende regels voor in dit gedicht, namelijk de x’
- a’s rijmen wel ten opzichte van elkaar
voorbeeld:
X: Constantijntje, ’t zalig kijntje,
A: Cherubijntje, van omhoog
X: D’ijdelheden hier beneden
A: uitlacht met een lodderoog
slag rijm
- rijmschema: aaabbb
* kenmerken:
- a’s rijmen met elkaar
- b’s rijmen met elkaar
verspringend rijm
- rijmschema: abcabc
* kenmerken:
- a’s rijmen met elkaar
- b’s rijmen met elkaar
- c’s rijmen met elkaar
tussen rijm
- rijmschema: aab ccb
* kenmerken:
- a’s rijmen met elkaar
- b’s rijmen met elkaar
- c’s rijmen met elkaar
|